Emma – een feuilleton (slot)


afbeelding-066.jpgNa mijn vlucht besloot ik geen enkel contact meer met Emma te onderhouden. Dat was beter. Voor mij. Voor haar. Mijn leven in Sevilla hernam zijn saaie loop. Overdag schreef ik en mijmerde wat, ‘s avonds schreef ik en mijmerde wat, en ‘s nachts mijmerde ik wat en keek ik naar stomme Spaanse soaps (met een woordenboek bij de hand) of las ik een boek. De telefoontjes van Emma (soms diep in de nacht, in zekere staat?) liet ik aan mij voorbijgaan. Haar emails liet ik onbeantwoord.

De toon van de berichten veranderde in de loop der tijd. Aanvankelijk sprak er diep verdriet uit (van haar) en medelijden (met mij – de arme ziel die vrijwillig het paradijs had verlaten). Later nam woede de overhand. Dan werd ik een walgelijke klootzak en een slecht mens genoemd.
Dat leek mij een vooruitgang. In feite precies wat ik had beoogd. Als ze nu maar kwaad op mij zou worden, had ik geredeneerd, dan zou achter die ijzeren plaat tenminste enige realiteitszin opdoemen. Dan kon ze haar leven oppakken, met iemand anders. Dat gunde ik haar zo. Want ik wilde niets liever dan teruggaan naar de tijd dat ik haar beste vriend was, een grote broer, een vertrouweling.

Inmiddels verblijf ik alweer ruim drie maanden in Sevilla en zit mijn tijd er bijna op. Sterker, dit is mijn laatste dag. De geplande tien maanden heb ik dan, met horten en stoten, uiteindelijk toch volbracht. Ik ben in die tijd een aantal keren verhuisd, en de laatste weken gaf ik mijzelf meer de ruimte om te genieten. Ik ging af en toe uit, wandelde met een fototoestel door de stad en volgde een conversatiecursus Spaans. De roman had ik om diverse redenen geparkeerd. Evenals het weblog.
Want waar moest ik in mijn digitale dagboek over schrijven? Het enige werkelijk interessante in mijn leven was het gebeuren met Emma. Maar ik wilde geen oude wonden openrijten, niet uit de school klappen. Dat vond ik niet gentlemanlike. Dus zweeg ik.
Langzaam doofde ook van Emma’s kant het contact uit.

Was dat het dus? Het relaas van Emma en mij?
Nog niet helemaal.
Anderhalve week geleden bereikten mij verontrustende berichten uit het vaderland. Er zou een coververhaal zijn verschenen in HP/De Tijd over zogenaamde slappe zakken: mannen tussen de dertig en vijftig jaar die het niet aandurven kinderen te krijgen. In het verhaal was een hoofdrol weggelegd voor een zekere De Jong. Het prototype van de boeren- en windenlatende slappeling die het liefst in zijn vergeelde onderbroekje blikjes bier wegklokt voor de TV. Of zoiets.
Het is een aparte ervaring jezelf met toenaam als “sukkel” en “loser” beschreven te zien worden in het blad waarvoor je vijf jaar hebt gewerkt. Een artikel van acht pagina’s geschreven door een auteur die je zelf op de redactie hebt geïntroduceerd. Die auteur beweert dat zij Astrid Theunissen heet, maar ik ken haar beter als Emma.

Nog aparter is het dat ik rond deze tijd weer door Emma werd gemaild. Uit haar e-mail sprak een zekere teleurstelling in mij. Emma had ontzettend leuke reacties gekregen op het verhaal. Iedereen vond het fantastisch. Maar wie had weer eens niets van zich laten horen? Juist. Nee, werkelijk, dat had ze “van iemand die zich een vriend noemt” niet verwacht.
Tja, je moet er maar opkomen. Zeg maar Peter R. de Vries die zich verontwaardigd afvraagt waarom hij nog geen complimentjes van Mabel heeft gekregen over de perfecte cameravoering van zijn tv-uitzending. De beul die van zijn slachtoffer wil horen dat de marteling in elk geval vakkundig is uitgevoerd.

Het verhaal heb ik nog steeds niet gelezen, dat doe ik wel bij thuiskomst (met blikje bier), maar een vriend wilde mij de laatste alinea “niet onthouden”, zoals hij het schreef. In deze slotzinnen wordt De Jong nog een voortijdige dood toegewenst. Slappe zakken sterven “gelukkig” vijf jaar eerder, zo zou blijken.
Nu weet ik dat het allemaal niet zo bedoeld is. Daarvoor is Emma veel te lief, en geeft ze vermoedelijk nog steeds te veel om mij. Toen ik van een bron op de redactie vernam dat ze had gehuild toen ze besefte dat het slot zo kon worden geïnterpreteerd werd ik zelfs door een bekend gevoel overvallen. Een gevoel van medelijden. Een gevoel dat ik haar wilde troosten.
Voor één keer nam ik dan ook de telefoon op die week.
“Ja, uh, met Emma. Zeg, ik heb per ongeluk tegenover Vrij Nederland je voornaam onthuld. Dus nu weten ze dat jij het bent…”
“Goh, ik had niet verwacht dat iemand er ooit achter zou komen. Ik vond De Jong nog wel zo’n waterdichte schuilnaam.”
“Hé wat flauw. De naam De Jong komt toch ontzettend veel voor?”
“Het is al goed. Zit er maar niet over in.”

Want met al mijn falen en vermeende slappezakkerigheid heb ik tenminste één karaktereigenschap behouden: mijn ridderlijkheid. Zo hoop ik ook dat het artikel van Emma onbewust dienst zal doen als advertentie. Dat er een mannelijke lezer van een jaar of veertig zal zijn, die denkt: hé, dat lijkt me nu echt een feest om met die Astrid Theunissen iets te beginnen. Dat hij zijn peuk in zijn blik bier dooft, een schone onderbroek aantrekt en zich onmiddellijk naar de redactie van HP/De Tijd spoedt. En dat er over negen maanden een klein Emmaatje geboren wordt.
Alleen zal ik die man niet zijn.
(en hij blies met een ferme wind het verhaaltje uit.)

Informatie over dit artikel:

(Geef commentaar, kijk wat andere hebben geschreven of plaats een link op je eigen weblog!)


Vorige en volgende artikelen

Categorieën


Reacties

Sorry, er kan niet meer gereageerd worden.