Ernest, Maurice en ik-zei-de-gek
Enkele dagen geleden kreeg ik een email van Maurice de Hond. Dat zegt op zich weinig. Vermoedelijk krijgen honderdduizenden mensen mail van Maurice de Hond. Met vragen. Bijvoorbeeld of Peter R. de Vries naar Den Haag moet, of Piet Hein Donner ze nog wel allemaal op een rijtje heeft, of de aarde rond is (40 procent antwoordde nee, 37 procent ja, 23 procent had geen mening), of Nederland wereldkampioen voetbal in Duitsland wordt. Maar vreemd genoeg had De Hond deze keer helemaal geen vraag voor mij in petto. Hij wilde mij van iets op de hoogte stellen. Van een actie, een campagne. Voor de vrijlating van Ernest, of beter gezegd: voor een nieuw feitenonderzoek naar wat er mis is gegaan in de Deventer moordzaak.
Ernest…
Als ik me wel eens ziekig voel, last heb van een ingegroeide teennagel, vol zelfmedelijden denk aan mijn mislukte roman, dan probeer ik wel eens aan Ernest te denken, in de hoop dat dit mijn lot wat relativeert. ‘Zeur niet’, zeg ik dan op strenge toon tegen mezelf, ‘stel je eens de situatie van Ernest voor, die zit in een kille cel. Die gaat weer een eenzame kerst tegemoet.’ Maar helpen doet het niet, want ik voel me meestal daarna nog rotter.
Ernest is natuurlijk Ernest Louwes, hoofdrolspeler tegen wil en dank in de Deventer moordzaak. Twee jaar lang beet ik mij in zijn zaak vast, ik schreef talloze artikelen voor HP/De Tijd, en een boek waarin ik de justitiele gierput opentrok. Aanvankelijk geloofde niemand mij (en Ernest) als ik zei dat hij ten onrechte was veroordeeld voor de moord op de Deventer weduwe Jaqueline Wittenberg, maar langzaam gingen ook bij de criticasters de luiken open. Het bewijs dat hij onschuldig was, was dan ook zo overdonderend, dat je wel stekeblind moest zijn om niet te zien dat dit zaakje hevig riekte. Het had me weliswaar een stevige ruzie met misdaadverslaggever Peter R. de Vries opgeleverd, maar op 1 juli 2003 besloot de Hoge Raad na een spectaculaire herziening dat Louwes op vrije voeten moest worden gesteld, in afwachting van een nieuw proces. Wegens omstandigheden – ik moest de zaak van Volkertje volgen – kon ik niet bij de uitspraak aanwezig zijn, maar de telefoon stond al snel roodgloeiend.
“Fantastisch nieuws”, hoor ik mijn uitgever nog zeggen. “Proficiat, Stan.’ Op de redactie werd de champagne ontkurkt en ik was himmelhochjauchend die week. Voor Ernest, voor zijn familie en – de eerlijkheid gebiedt mij dit te zeggen -voor mijzelf. Voor het eerst van mijn leven had ik iets werkelijks goeds verricht. Wat is er mooier als journalist (en mens!) dan helpen een onschuldig iemand vrij te krijgen” Ja, ik was toch werkelijk een goed persoon, klopte ik mezelf tevreden op de tanige schoudertjes.
Enkele maanden kon Ernest van zijn vrijheid genieten, daarna vond een nieuw proces plaats, in Den Bosch, en… werd hij tot ieders verrassing weer in de bak gesmeten. Het mes waarmee hij de moord zou hebben gepleegd was dan wel van tafel geveegd, en justitie erkende dat hij eerder op grond van ondeugdelijk bewijsmateriaal was veroordeeld, maar listig had men een dag voor de finale zittingsdag een wit konijn uit de hoed getoverd: een bloedvlekje op de blouse van het slachtoffer. DNA! Het magische drieletterwoord.
“Nou, ik vond altijd al dat ie zo vreemd uit zijn ogen keek”, zei een kunstredacteur van HP/De Tijd. En mijn uitgever mailde “dat dit toch wel belangrijk nieuw bewijs was.” Succes kent vele vaders, een mislukking daarentegen…
Hierna schreef ik nog een paar artikelen over de zaak – ze zijn in het archief te vinden op deze site – waarin ik stelde dat het DNA-bewijs al even dubieus was als destijds het mes, en dat het verhaal van het OM dat Louwes een kille acteur was die “de bijna-perfecte moord had gepleegd” kant noch wal raakte, maar ja… Justitie die tweemaal blunderde, dat ging de verbeeldingskracht van de meeste neutrale toeschouwers te ver.
De Hoge Raad accepteerde vervolgens dat het Hof Den Bosch het slordig vastgestelde DNA had meegewogen, zonder dat de verdediging een fatsoenlijk tegenonderzoek had kunnen verrichten, en keurde goed dat Justitie een volledige vrijbrief had gekregen een geheel nieuw onderzoek tegen de verdachte te starten – naar mijn stellige overtuiging een schending van het Ne bis in idem-beginsel. Dat betekent: iemand mag niet tot twee maal toe voor hetzelfde feit worden vervolgd. Aangezien Justitie erkende dat Ernest in 2000 ten onrechte was veroordeeld, had de zaak nooit meer zo mogen worden gevoerd. Dat was mijn stellige overtuiging.
Een laatste strohalm voor Ernest – het Europese hof in Straatsburg – leverde evenmin iets op. De zaak leek definitief in zijn nadeel beslecht. Voor Ernest een enorme klap, voor mij de grootste deceptie in mijn journalistieke loopbaan en – het is een groot woord, maar toch – het verlies van een laatste restje vertrouwen in de Nederlandse rechtsstaat.
En nu dus dat mailtje van Maurice de Hond. De opiniepeiler en ex-scheidsrechter heeft er zelfs tienduizend euro tegenaan gegooid om een opening in de Deventer moordzaak te forceren. Op de website, www.geenonschuldigenvast.nl, kan men een petitite ondertekenen. Ik heb het zelf niet gedaan, want ik ben ouderwets in die dingen: een journalist is geen actievoerder. Maar ja, dat geldt natuurlijk niet voor u, lezer, en ik zeg dan ook met lichte aarzeling: teken die petitie en zorg dat De Hond niet loslaat! Een mens kan ook te principieel zijn, nietwaar?
