R. de Vries vs W. Dankbaar

“Uiteraard doe ik geen enkele mededeling over wat ik van wie dan ook aan informatie ontvang. Net zomin als Peter R. dat zou doen.” Dat schreef ik op donderdag 8 februari. Aanleiding was de aangifte wegens computervredebreuk die Peter R. de Vries had gedaan tegen zakenman Wim Dankbaar.
Tijdens een reis naar de Verenigde Staten, in het kader van een documentaire over de moord op JFK, zou De Vries een keer hebben ingelogd op de computer van Dankbaar. Het wachtwoord van de misdaadverslaggever werd automatisch opgeslagen en Dankbaar nam de gelegenheid te baat om in de mailbox van De Vries te snuffelen en privé-correspondentie te downloaden. Een strafbaar feit, vindt De Vries. Kennelijk is het OM het met hem eens.
Afgelopen dinsdagavond deed de recherche een huiszoeking in de woning van Dankbaar in Overveen. Zijn computer werd in beslag genomen. Dankbaar zou de gekraakte mails hebben verspreid onder derden in een poging De Vries te compromitteren. Aanleiding: ergernis tussen beiden over de Deventer moordzaak. Onder de ontvangers van de blijkbaar nogal pikante mails behoorde, zo gaf Dankbaar toe, in elk geval Maurice de Hond en journalist Matt Hoorn van de site Witheet. Daarnaast vermoedde De Vries dat Dankbaar de mail ook aan een andere journalist had toegespeeld: ik-zei-de-gek.
Als journalist, zeker in het genre waarin ik werkzaam ben, ontvang je met de regelmaat van de klok vertrouwelijke informatie. Soms is de informatie zeer relevant, soms geeft het aanleiding tot nader onderzoek, en vaak heb je er niets aan. Als bronnen er geen prijs op stellen dat hun identiteit bekend wordt gemaakt, ga je daar hoogst zorgvuldig mee om. Anders kun je als onderzoeksjournalist wel inpakken. Vertrouwen is alles in mijn vak.
Justitie doet soms pogingen journalisten met dwangmiddelen ertoe aan te zetten hun bronnen te openbaren, zoals recent in het geval van twee Telegraaf-journalisten. In het verleden is ook mijn Revu-collega Koen Voskuil wel eens gegijzeld. Volgens mij is het nooit of althans hoogst zelden voorgekomen dat een journalist onder die dwang capituleert. Een wettelijk verschoningsrecht voor journalisten (in tegenstelling tot bijvoorbeeld naaste familieleden) bestaat in Nederland weliswaar niet, maar de rechter stelt wel terecht zeer strenge eisen aan het gijzelen van journalisten, omdat de vrije nieuwsgaring en vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel staan.
In het geval van Wim Dankbaar is mij tot nog toe niet gevraagd door het OM of door De Vries of ik geheime emails heb ontvangen. Vermoedelijk zal De Vries, die het klappen van de zweep als geen ander kent, hebben gedacht: daar doet Stan toch geen mededeling over. De Vries krijgt zelf om de haverklap hoogst geheime informatie, die vaak op wonderbaarlijke wijze uit vuilniszakken of kofferbakken tot hem komt. Kortom, hij weet dat voor mij slechts een mogelijk denkbaar antwoord is op de vraag of ik van Wim Dankbaar informatie heb ontvangen: “Geen commentaar.” Maar… dat verandert natuurlijk zodra de bron zelf openheid van zaken gaat geven.
Vandaag stuurde Dankbaar mij een email. Hij heeft tegenover Peter R. de Vries (en een andere journalist) verteld dat hij naast Maurice de Hond en Matt Hoorn ook aan mij e-mails van De Vries heeft doorgespeeld. Dankbaar kon ook niet anders meer dan alles opbiechten, aangezien de recherche zijn computer in beslag heeft genomen en dus op de hoogte zal zijn van wie hij wat heeft toegezonden. Volgens Dankbaar heeft hij de mails onder voorwaarde van absolute vertrouwelijkheid gestuurd en nimmer de bedoeling gehad Peter R. in diskrediet te brengen. Inmiddels heeft hij zijn excuses aangeboden.
Welnu, zo liggen de zaken er kennelijk voor. In principe is het gedrag van Dankbaar niet alleen laakbaar tegenover De Vries, maar ook voor mij best vervelend. Ik ben immers volkomen tegen mijn wil in deze affairette betrokken geraakt. Met het risico dat justitie mij mischien als ‘handlanger’ (heling van gestolen informatie?) zou gaan afficheren en de kans zou aangrijpen om ook mijn computer in beslag te nemen. Ik zeg ‘de kans aangrijpen’, omdat het OM natuurlijk best graag wil weten wat voor (wel relevante) informatie ik zoal met deze en gene deel.
Wat is er nu precies gebeurd?
Op 8 november 2006 – ik heb het net nog eens nagekeken – stuurde Dankbaar mij een e-mail met de volgende boodschap: Stan, ik wil wel iets met je delen over Peter R., wat je zeker leuk vindt, maar je moet me plechtig zweren dat het absoluut onder ons blijft. Ik heb daarop toen niet gereageerd (rook ik al onraad?)Geheel ongevraagd stuurde Dankbaar mij daarop, ik vermoed enkele weken later (het bericht kon ik zo snel niet meer vinden) een aantal e-mails van (of beter gezegd: aan) Peter R. Ik nam van de inhoud kennis, mailde Dankbaar dat het inderdaad ‘aparte’ (ik zal prudent zijn) informatie betrof. En that’s it. Nog weer iets later vernam ik dat de mails niet via de kaboutertjes tot Dankbaar waren gekomen, maar dat hij in de mailbox van De Vries had gesnuffeld.
De inhoud van de mails was niet alleen privé, maar ook journalistiek volkomen irrelevant. Ik mag dan wel in onmin verkeren met De Vries, maar ik behoor niet tot de tak der roddeljournalistiek en hou er evenmin van om collega-journalisten een oor aan te naaien. De informatie van Dankbaar heeft dan ook niet tot enige verdere actie mijnerzijds geleid. De e-mails zijn door mij niet verder verspreid.
Zo zit het en niet anders.
