Theo van Gogh

Waar was u op de dag dat Theo van Gogh werd vermoord? Nou, ik zat in Sevilla. Achter een bureau. Ik had een kopje koffie binnen handbereik. Café con leche, om precies te zijn. Het was rond tien uur ’s ochtends. Ik checkte mijn e-mail. Een vriend had een bericht gestuurd. “Ongelooflijk, Theo van Gogh is neergeschoten, hij zou ook met een mes zijn bewerkt. Ik geloof dat het om een Marokkaan gaat. Ik moet nu rennen…We mailen.”
De vriend, die in de dagbladjourjournalistiek werkzaam is, moest natuurlijk een stukkie tikken. Ik leunde achterover. En ik dacht aan wat ik later – als mij gevraagd zou worden wat ik deed, en waar ik was, en hoe ik mij voelde op die tweede november 2004 – zou antwoorden.
Was ik verrast, geschokt? Natuurlijk was ik geschokt. Het zou wel heel vreemd zijn als zo’n bericht je onberoerd laat. Er wordt wat afgeliquideerd in Amsterdam, maar wennen doet het nooit. Theo van Gogh was een bekende figuur in de media. Bekende figuren in de media zijn zoiets als familieleden: of je ze nu mag of niet, ze maken deel uit van je leven. Dat maakte de schok des te groter.
Was ik verrast, geschokt? Verrast was ik eerlijk gezegd niet. Ik herinnerde mij dat ik, in de maanden voordat ik afreisde naar Sevilla, wel eens lijstjes maakte wie er op de nominatie stonden te worden geliquideerd. Dat klinkt morbide. Maar ik was oprecht bezorgd dat het zou gebeuren en ervan overtuigd dat Fortuyn niet de laatste zou zijn die zijn mening met een kogel moest bekopen. Bovenaan het lijstje stonden altijd dezelfde drie personen, hoewel de nummer 1-positie (sorry voor de terminologie) wisselde.
- Ayaan Hirsi Ali.
- Michiel Smit.
- Theo van Gogh.
Op een ochtend, een half jaar voor de moord, zo schat ik, vroeg HP/De Tijd-hoofdredacteur Henk Steenhuis of ik even in zijn kamer wilde komen. “Moet je dit lezen”, zei hij. Het was een column van Van Gogh, ik meen in Metro maar het kan ook op de website De Gezonde Roker zijn geweest. Het ging over islamieten en het ging ver – op z’n Van Goghs. “Hiermee”, sprak Steenhuis omineus, “heeft Theo zijn doodvonnis getekend.” We hadden al eerder gesproken over de risico’s die Van Gogh liep vanwege zijn kruistocht tegen de Islam. Maar tot dan toe hadden we geconcludeerd dat hij ermee wegkwam omdat hij een joker, een nar was. Niet helemaal serieus te nemen. Dat leek hij zelf trouwens ook te vinden. Was dat nu ineens veranderd?
Persoonlijk dacht ik nog steeds dat Ayaan Hirsi Ali de grootste kans liep te worden vermoord. In de katholieke inquisities werden afvallingen al strenger bestraft dan ongelovigen. Maar ook over Michiel Smit van NieuwRechts maakte ik me zorgen. Ik had hem een keer gevolgd voor HP en aan den lijve ondervonden wat voor haat hij bij figuren die zichzelf links, progressief of ‘antifascist’ noemden opriep. Smit was zeker het meest rechts van de drie. Bovendien was hij, wat je verder ook van hem mocht denken, bezig een nieuwe politieke beweging te starten. Gevaarlijk. In dit land. De afvallige, de vernieuwer, de nar. Het was de nar geworden.
Wat vond ik van Theo van Gogh? Ik kende hem niet persoonlijk. Nu ja, een keer had ik telefonisch contact met hem gehad. Ik werkte nog maar net bij HP en zou een profiel schrijven over Thom Hoffman, de acteur. De twee kenden elkaar uit Wassenaar, waren samen naar Amsterdam gekomen om het te maken in de film. Great expectations. Maar inmiddels waren ze gebrouilleerd, Thom en Theo. Met wie raakte Theo van Gogh eigenlijk niet gebrouilleerd? Van een collega met wie Van Gogh ooit ‘iets’ had gehad, kreeg ik zijn privé-nummer. “Hij heeft een grote bek, maar in zijn hart is het een hele lieve jongen”, zei de vriendin. Ik meende dit al eerder gehoord te hebben. Zo waren er veel mooie actrices die in interviews zeiden dat ‘Theo zo innemend is’. Een schatje. Echt waar.
Ik vond Theo van Gogh helemaal geen schatje. En ook niet innemend. Hij deed buitengewoon naar en hooghartig toen ik hem belde. Ik was blijkbaar niet interessant genoeg, een lulletje, onbekend en geeneens een lekker wijf. Ik concludeerde dat Van Gogh, zoals de meeste Bekende Nederlanders, vooral geïnteresseerd was in andere Bekende Nederlanders. Maar misschien was ik overgevoelig op dit vlak, en wat deed het ertoe? Aardige mensen zijn er genoeg, daar win je de oorlog niet mee. En het was oorlog. Zo voelde ik het.
De tweede keer dat ik zijdelings met Van Gogh te maken had, was toen ik een artikel schreef over Hollandse taboes – wat je wel en niet mocht zeggen in Nederland. Het was vóór 11 september 2001. Ik interviewde een aantal taboedoorbrekers, onder wie Pim Fortuyn, toen nog gewoon columnist voor Elsevier en schnabbelend in het lezingencircuit. Uiteindelijk zou Fortuyn – symbolisch de mond gesnoerd met zijn stropdas – de omslag van het blad sieren.Ook Fortuyn vond ik buitengewoon onaangenaam, hooghartig. Maar deed dat er wat toe? Aangename mensen, daar kon je de straten mee plaveien. Daar won je de oorlog niet mee. En het was oorlog. Zo zag ik het.
Onder mijn verhaal van destijds schreef ‘de verschrikkelijke Theo van Gogh’ een column. Het ging niet eens over geitenneukers. Hij rekende in het stukje af met de ex-hoofdredacteur van HP/De Tijd, Bert Vuijsje, die hem niet lang daarvoor had ontslagen. De column werd Van Gogh, de nieuwe hoofdredactie en mij buitengewoon kwalijk genomen. Ik vond het een goed geschreven stukkie. Theo van Gogh kon namelijk erg goed schrijven. Hij was grof, maar ook vaak grappig. En hij streed voor het vrije woord. De nar, dat wist ik zeker, had een oprechte missie. Om die reden bewonderde ik hem.
Dit, beste lezers, waren zo de eerste gedachten die bij me opkwamen, daar in Sevilla, in de wijk Los Remedios, waar ik was ingetrokken bij een hospita die Lupe heette. Mijn café con leche was ondertussen koud geworden. Na van de eerste schok te zijn bekomen, begon ik – de eerlijkheid gebiedt mij dit te zeggen – ook aan mijn eigen situatie te denken. De moord op Theo van Gogh had op een vreemde, ingewikkelde wijze impact op mijn leven. Ik was op 1 augustus 2004 naar Sevilla afgereisd met als ambitieus doel in tien maanden een roman te schrijven. Ik had mijn baan bij HP/De Tijd ervoor opgezegd. De Eerste Grote Rechtse Roman van Nederland, zei ik weleens gekscherend tegen vrienden.
Op mijn website die rond juli 2004 het licht zag, verwoordde ik het aldus:
“De roman gaat over Hollandse hypocrisie, de onuitroeibare politiek-correctheid, over het toenemend anti-semitisme dat men verkoopt onder het mom van ‘kritisch Israël volgen’, over het schrijnende gebrek aan kwaliteit in eigenlijk alle sectoren – de media niet uitgezonderd – over de stilte voor de storm in het post-Fortuyn tijdperk. Want dat de geest weer uit de fles gaat, staat voor mij vast.”
Let u – for the record – vooral even op die laatste zin.
Welke voorbereidingen had ik voor dit avontuur getroffen? Niet veel. Ik had een koffer met een paar onderbroeken en hemden gepakt. Ook had ik een koran meegenomen en een stapeltje Jihad-proza dat ik van het internet had geplukt. Dit om mij in te leven in het opwekkende gedachtegoed van de ware moslimfundi. De plot van mijn boek voorzag namelijk in een neuwe moord op een ‘rechtse figuur’ – nieuw in de zin van: na Fortuyn – ditmaal niet door een halfgare veganist, maar door een Marokkaanse moslim.Maar ja… die moord had nu dus plaatsgevonden.
Ik had al drie hoofdstukken af. Notabene had ik het eerste hoofdstuk ‘Een prettig gesprek’ genoemd. Een knipoog naar ‘Die Bolle’, zoals Theo van Gogh (maar dat hoorde ik pas veel later) door zijn vrienden soms vertederd werd genoemd. Die Bolle had namelijk ook wel eens nootjes gekraakt over de minder prettige kanten van de Islam.
In de dagen erna las ik in Spaanse kranten dat Nederland in brand stond. Dat was niet fraai, ofschoon op zich niet verwonderlijk, alleen: dat had ik graag zelf willen voorspellen. Wanneer de moord na de verschijning van mijn roman zou hebben plaatsgevonden, dacht ik vol zelfmedelijden, zou ik wereldberoemd zijn geworden. Dan zou ik bakken met geld hebben verdiend. Om over al die literaire groupies maar niet te spreken. Die moslimterroristen hielden ook werkelijk nergens rekening mee!
De maanden die volgden, ploegde ik manmoedig voorwaarts. Maar het was trekken aan een dood paard. De vaart was eruit, de jeu was eraf, het thema van mijn boek een cliche geworden. Als profeet geslaagd, als romancier mislukt. Het was eind mei 2005– vlak voor mijn geplande terugkeer naar het dierbare vaderland. Toen kreeg ik een mailtje van Gijs van de Westelaken. Ik meen dat ik Gijs van de Westelaken wel eens had ontmoet, maar ik geloof niet dat we destijds met elkaar gesproken hadden. Wel wist ik dat Gijs eigenaar/directeur was van Column Producties – het productiebedrijf van Theo van Gogh. Kennelijk wist Gijs al helemaal niets van mijn situatie af. “Bel me even”, schreef hij. “Ik wil je vragen voor een televisieprogramma.” Bel me even… Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik zat daar nog heel druk depressief te wezen in Sevilla en te piekeren over de toekomst. Ik had mijn baan opgezegd, en mijn vriendin, en was daarenboven volkomen berooid. Bovendien: wat had ik met het medium televisie op? Ik moest vast en zeker in een of ander mal TV-programma komen opdraven. Een programma over mislukte schrijvers. Ja, dat zou pas lachen worden.
Niet al te happig mailde ik terug dat ik nog in Sevilla zat, dat ik over een week weer thuis was, dat we dan maar even contact moesten hebben – dat sprak ook wat gemakkelijker. Maar als hij dan perse wilde, kon Gijs vast een tipje van de sluier oplichten. “Het gaat om een documentaire”, mailde Gijs me vrijwel onmiddellijk terug. “Een beetje Michael-Moore-achtig. We willen jou eventueel als eindredacteur. Kom op 4 juni langs op kantoor. Katja zal er ook zijn.” Katja…?
Een week later zat ik op het kantoor van Column in Amsterdam-Zuid. Inderdaad, Katja was er ook. Dé Katja. Katja Schuurman. De muze van Theo. Of een van de muzen, want ik geloof dat Theo van Gogh muzen verzamelde zoals een ander sigarenbandjes. Katja en Gijs waren behoorlijk serieus. Ze gingen een documentaire maken over de moord op Theo. Er stonden vele vragen open, zei Gijs. “Als Theo nog had geleefd, had hij daar wel raad mee geweten”, voegde Katja eraan toe. Het plan was samen met BNN-voorzitter Laurens Drillich bedacht. Gijs noemde het ‘tekst TV’. Eerst zou een onderzoek worden verricht, dan een verhaal geschreven, waarna het beeeld automatisch zou volgen. Een invuloefening. Dat was althans de theorie – de praktijk bleek weerbarstiger. De Michael Moore-touch zat ‘m erin dat de documentaire ook iets over Nederland moest zeggen. Over dat we met z’n allen op tijd thuis wilden zijn. Over onze naiviteit. Ik werd geacht het scenario te schrijven. Bovendien mocht ik een groot onderzoek doen en een redactie samenstellen. Een eervolle klus.
“Nou”, sprak Gijs toen we drie dagen later het contract hadden getekend. “Zoek maar een bureau uit. Ga lekker aan de slag.”
“Prima”, zei ik. Na twee weken alles te hebben gelezen over de Hofstadgroep, Mohammed B. en de bedreigingen aan het adres van Theo van Gogh, concludeerde ik dat Gijs en Katja bepaald niet hadden overdreven: er bleven veel vragen over. Waarom was Theo van Gogh niet beveiligd? En waarom hadden ze Mohammed B. niet eerder in de smiezen gehad? De brief die de ministers Donner en Remkes op 10 november 2004 aan de Tweede Kamer hadden gestuurd en die beoogde duidelijk te maken dat Mohammed B. een bijfiguur was, sorteerde exact het tegenóvergestelde effect. Uit die hele brief bleek nu juist dat B. de spil was waarom alles draaide. Dit kon zelfs de AIVD – hoe klungelig die ook in de algemene beeldvorming mocht zijn – niet zijn ontgaan. Er moest iets anders aan de hand zijn…
Ondertussen stuitte ik op een document van ene Abu Zubair: To catch a wolf. Abu Zubair bleek het pseudoniem van Mohammed B. te zijn. Verbijsterd staarde ik naar de pagina’s. Het was het Jihad-proza dat ik eind juli 2004 had uitgeprint en meegenomen naar Sevilla – drie maanden voor de moord, om een boek te schrijven over…krankzinnig!
Na een maand kwam Henk Willem Smits de redactie versterken en een paar weken later Sanne Groot Koerkamp. Bijna tot onze eigen verbazing bleek de theorie dat Mohammed B. misschien wel als lokaas voor de geheime dienst had gefungeerd zo gek nog niet. Het was zelfs helemaal niet onwaarschijnlijk als hij ooit zelf ‘gesprekspartner’ van de AIVD was geweest. Maar daarover gaat u straks alles lezen…
We hielden tientallen voorgeprekken, deden onderzoek op lokatie, spraken met buurtgenoten van Mohammed B. en op een gegeven moment was het moment daar dat Katja Schuurman in actie kwam. Omdat Katja het druk had, bereidde ik haar vaak voor in de auto – op weg naar onze afspraak. Katja las de aantekeningen door, maakte een opzet voor het interview, concentreerde zich even en sprak dan, na een minuut of tien, de historische woorden: “Het zit er in.”
Kennelijk hadden actrices een uitstekend kortetermijngeheugen, concludeerde ik. Tijdens de interviews hield Katja de lijn van het gesprek stevig vast en wist ze scherp te reageren op onverwachte opmerkingen. Onze aantekeningen had ze daarbij niet eens meer nodig. Ik denk werkelijk dat weinig journalisten het haar na zouden hebben gedaan. We hadden natuurlijk ook wel eens onenigheid, Katja en ik. Met name in de eindfase, toen de hectiek toenam, we de deadline naderden. Katja vond mij ‘te negatief’, ik haar te wispelturig. Maar uiteindelijk is het – zoals dat in de wondere wereld van de televisie nu eenmaal gaat – allemaal goedgekomen. Tenminste, dat moet iedereen voor zichzelf beoordelen. Wat de kijkcijfers betreft: dank u, die waren uitstekend! Ook stelde – en daar was het, zei Katja terecht, allemaal om te doen geweest – de Tweede Kamer naar aanleiding van onze documentaire vragen aan het kabinet. Wat wisten Remkes en Donner nu precies van Mohammed B.? Wat was de relatie tussen de AIVD en de moordenaar van Theo van Gogh? Had de moord niet voorkomen kunnen worden?
Op dit moment is onzeker hoe de discussie onder de Haagse kaasstolp verder gaat verlopen, maar een begin van een betere waarheidsvinding lijkt gemaakt. Waarom dan nog dit boek? “Juist omdat het televisie was, is ‘dit boekje’ interessant. Televisie is wegwerp, is alleen dit moment; na uitzending bestaat de uitzending niet meer. Maxima’s quotes worden weliswaar levenslang herhaald, maar steeds meer potentieel gedenkwaardige momenten krijgen niet eens de kans het gesprek van de dag te halen, omdat ze al meteen zijn verdronken in het moeras van de kleinere martkaandelen, of uberhaupt nooit tevoorschijn zijn gekomen achter de dubbele cijfers van de afstandsbediening. (…) Daarnaast is televisie niet of nauwelijks opzoekbaar. (..) Televisie vaporiseert waar je bijzit.” Dat schreef Gijs van de Westelaken in het nawoord van een bundel uitgeschreven TV-interviews van Theo van Gogh in 2002.
Wie schrijft die blijft. Maar belangrijker is dat we de mogelijkheid hebben hierbij het complete onderzoek aan u te presenteren. Want er bleef noodgedwongen veel materiaal liggen. “We hadden wel vijf documentaires kunnen maken”, verzuchtten Katja en Gijs meer dan eens. Ik durf wel te stellen dat het boek veel nieuwswaardigs bevat. Terwijl ik deze laatste zinnen schrijf, staat voor mijn neus een café con leche te dampen. Ik zit achter een bureau. In Sevilla. Niets is toeval, zou Harry Mulisch zeggen.
(Ongepubliceerd voorwoord bij het boek Prettig Weekend Ondanks Alles)
